📖🎧 Stefan Perceval: “We leiden mensen in grote kuddes op voor van alles, maar er wordt niet vanuit een droom of een passie vertrokken”

Allemaal hebben we een verhaal. Het maakt wie we zijn en waarom we doen wat we doen. Vaak zitten die verhalen achter een muur. Het verhaal achter die muur ontdekken, dat is waar acteur en artistiek leider Stefan Perceval zich mee bezighoudt. Na de theaterschool maakte hij eerst naam als acteur met zijn rollen in films en televisiereeksen En ook in het theater, van Maaseik, Avignon en Berlijn tot Shanghai, maakte hij faam. Sinds 2014 is hij artistiek leider van Het Gevolg in Turnhout en richt hij zich op zijn grootste kwaliteit: achter de muur kijken en daarmee mensen in hun kracht zetten: “Elke dag kom ik mensen tegen die in onze maatschappij gekwalificeerd zijn met dit of dat label of als ‘te moeilijk’ worden bestempeld, maar bij wie we dus niet achter de muur kijken.”

Stefan Perceval

Stefan Perceval

Als we in de ochtend van een mooie zomerdag in wording op het terras van een hotel in zijn woonplaats Oostende plaatsnemen, vraag ik Stefan iets over zichzelf en het idee van ‘achter de muur kijken’ te vertellen. 

Stefan is acteur, een geboren verhalenverteller. Je stelt hem een vraag en hij is vertrokken. Daarom heb ik het interview met Stefan in een zowel door hem als mij geliefde vorm uitgewerkt: een monoloog.

Ik ben Stefan dankbaar dat hij die zelf wil voorlezen.

🎧 Luisteren

Stefan: “Achter de muur kijken … Het heeft heel lang geduurd voordat ik dat één ontdekte en twee daar ook in geloofde. Ik ben grootgebracht in armoede met alleen mijn moeder. We hadden niks dus dan is het niet moeilijk om af en toe eens iets te hebben.  

Ik heb in het lager twee keer mijn derde jaar gedaan, omdat ik al heel vroeg man moest zijn voor mijn moeder. In het vierde jaar van de lagere school hebben ze voor mij een B-klas ingericht. Dat bestond niet, ik zat daar dan ook alleen. Dat zegt iets over waar ik mee bezig was. Ze noemden mij een dromer en ik moest iets met mijn handen gaan doen

Vandaar dat ik dan naar de hotelschool ben gegaan. Terwijl ik altijd bezig was met woorden en taal. Dat fascineerde mij. Maar ze zeiden: ‘Ga maar iets met je handen doen, met dat artiest zijn, kan je niks verdienen.’. Dat hoor ik VDAB-begeleiders vandaag nog altijd zeggen als ze bij me komen voor mensen die een traject bij ons hebben gevolgd. 

Na de hotelschool ben ik naar de theaterschool Studio Herman Teirlinck getrokken, want ik had een droom: acteur worden.

Ik zag daar mensen die elk uur een andere trainingsbroek aandeden, vlot Frans en Engels spraken en alles wisten over  Shakespeare ... Daar wist ik allemaal niks van. Maar ja, ik had hotelschool beroeps gedaan en we hadden thuis geen rotte bal. 

Je zit dan een hele week met honderd mensen die kandideren en waarvan er tien dat eerste jaar mogen beginnen

Ik zag daar mensen die elk uur een andere trainingsbroek aandeden, vlot Frans en Engels spraken en alles wisten over  Shakespeare ... Daar wist ik allemaal niks van. Maar ja, ik had hotelschool beroeps gedaan en we hadden thuis geen rotte bal. 

Op het einde van die week, en daarom vertel ik dit, dat was nogal belangrijk ... Op het einde van die week moest je het verschil tussen de spelende en de werkende mens tonen. Dat is blijkbaar iets waarover Herman Teirlinck heeft geschreven in een boekje. Ik heb het nooit gelezen. 

Ik zag mensen de hele tijd achter elkaar lopen 'spelende mens', 'werkende mens'. Ik zag mensen die voor kleinkunst kwamen. Ze zongen: 'ik ben de spelende mens', en dan in een ander akkoord: 'ik ben de werkende mens'. Ik dacht: dit ga ik niet doen.

Ik was de hele week vanbinnen zo vernederd. Later heb ik ontdekt dat dit ook mijn eigen houding was of is. Dat ik me soms laat vernederen. Dat gebeurt nog steeds wel. Het is echt een struggle. Ja, ik moet echt die knop omzetten: me niet laten doen.

Jan Decleir die toen de school leidde, kwam naar voren en zei: ‘ik denk dat we iedereen gehad hebben.’ Jan Schepens, die naast me zat, zei: ‘Nee, Stefan is nog niet geweest.’ Ik ben toen naar voren gegaan en had geen idee wat ik ging doen. Heel de tijd, ondanks dat het een droom van me was, had ik tegen mezelf gezegd dat ik dit niet ging doen.

Ik vertelde dat ik de avond daarvoor met mijn vader had gebeld en dat hij tegen me zei: ‘maar Stefan dat is toch niets voor jou die Studio Herman Teirlinck. Je bent een autist, je gaat dat niet kunnen.’

Ik ben er gaan staan en ben gewoon gaan vertellen vanuit wie ik ben. Ik vertelde dat ik de avond daarvoor met mijn vader had gebeld en dat hij tegen me zei: ‘maar Stefan dat is toch niets voor jou die Studio Herman Teirlinck. Je bent een autist, je gaat dat niet kunnen.’

Ik weet niet meer wat ik verder allemaal nog heb verteld, maar toen ik opkeek, was iedereen op de tribune aan het huilen. Dat had ik veroorzaakt met wie ik was.

Dat was de eerste van twee heel belangrijke lessen voor me. Dat er, door wie dat je bent, geen verschil is tussen de spelende en de werkende mens. Het is wie dat gij zijt.

Dat was de eerste van twee heel belangrijke lessen voor me. Dat er, door wie dat je bent, geen verschil is tussen de spelende en de werkende mens. Het is wie dat gij zijt.

Ik mocht dus beginnen aan die theaterschool ... en nog eens... dat was als een soort Fame-academie met allemaal hittepetitjes die alles goed konden. En dan ik … Het was veel uiterlijk vertoon. Heel veel vorm en dat was iets waar ik niet goed tegen kon. 

Wannes Van de Velde, de bekende Antwerpse zanger, gaf er gitaarles. De eerste les gaf hij me zijn gitaar en zei: ‘Doe eens iets.’ Ik deed iets op zijn gitaar en hij zei: ‘Wij gaan gewoon wa klappen.’ En zo heb ik eigenlijk vier jaar met hem gebabbeld.

Kijk achter de muur. Dat was mijn tweede belangrijke les.

Gij moet daar niet mee bezig zijn, met die vorm’, zei Wannes tegen me, ‘Gij moet bezig zijn met wat er achter de muur zit. Als ik een liedje schrijf, en ik loop door een straat en op het einde van die straat is er een muur: wat zit daar achter die muur?’ Dat was mijn tweede belangrijke les: kijk achter de muur. 

Ik ben acteur geworden en kon direct bij heel grote toneelhuizen gaan spelen. Ik mocht daar stukken schrijven en regisseren. Ik kreeg aanbiedingen uit Nederland, Duitsland en Denemarken om er te komen spelen. En ik speelde in films.

Ik schreef heel moeilijke, abstracte stukken. Het thema was vaak moeder en zoon, de situatie waar ik vandaan kwam.

Maar aan niemand, echt aan niemand, vertelde ik waar ik vandaan kwam. Wat mijn vorige situatie was. Ik ging aan niemand vertellen, zeker niet in interviews met Humo of Knack dat ik hotelschool beroeps had gedaan. Ik schaamde me echt voor mijn roots. 

En toen bleek uit een publieksonderzoek in jeugdtheater hetpaleis waarvoor ik veel producties maakte, dat die abstracte stukken, waarbij bijvoorbeeld een acteur een uur stilstond in een plas water en tekst opzei, heel goed aansloegen bij jongeren uit het technisch en beroepsonderwijs

auti3masterIMG_7932maritk.jpg

Barbara Wyckmans, de toenmalige directrice van hetpaleis vroeg me of ik met die voor de kunsten moeilijk te bereiken doelgroepen wilde gaan werken.

Dat zag ik helemaal niet zitten. Ik steigerde echt. Ik was een acteur. Wat ging ik in een klaslokaal staan theater maken. Ik had altijd ruzie met de kunsteducatieve diensten.
Nog steeds trouwens.
‘Stefan, het is te moeilijk’, zeggen ze.
Ja, alles is altijd maar te moeilijk. Het lijkt wel alsof het steeds erger wordt dat alles te moeilijk is.

Ik ging naar die school in Kontich en daar zeiden ze tegen me: ‘Ja, meneer Perceval, het is een heel moeilijke klas. Als het niet gaat, dan stopt u maar.’ 

Maar ik ging naar die school in Kontich en daar zeiden ze tegen me: ‘Ja, meneer Perceval, het is een heel moeilijke klas. Als het niet gaat, dan stopt u maar.’ 

Ik kwam dat klaslokaal binnen en zag die mannen wat onderuit gezakt zitten en ik dacht: dit ken ik, hier ben ik ook geweest.
Dan heb ik voor het eerst over mezelf verteld en ben ik ze vragen gaan stellen. Waar dromen jullie van? 

Mensen vragen niet meer waar je van droomt en waar je naartoe wil in het leven. We leiden mensen in grote kuddes op voor vanalles, maar er wordt niet vanuit een droom of een passie vertrokken. Ga dat maar doen. Ik had in hetzelfde schuitje gezeten: ga maar iets met je handen doen.

Ik stelde hen allemaal vragen die hen nog nooit waren gesteld: hoe sta jij 's morgens op? Wat zegt je vader tegen je?
En zo kwamen er verhalen boven. Iemand zei: ‘Ik heb mijn vader nog nooit gezien.’ Dat wist die klas niet. Ze kenden elkaars verhalen niet. Elkaars dromen niet.

Vanuit hun antwoorden hebben we dan een voorstelling gemaakt. We kwamen live in Het Journaal, want dat was nog nooit gebeurd dat een kunstenaar zich ging bezighouden met kinderen uit het beroepsonderwijs. Ineens was er aandacht voor hen. Ze kregen positieve aandacht.

De methode is dat ik geen methode heb. Dat je voor de groep gaat staan en kijkt wie er voor je zit en dan vragen stelt.

Dat is zestien jaar geleden en dat project heeft een sneeuwbaleffect gehad. Andere scholen vroegen me om ook bij hen te komen. Dan schuilt er het gevaar om daar een vorm van te maken.

‘Wat is de methode Perceval?’, vroegen ze me. De methode is dat ik geen methode heb. Dat je voor de groep gaat staan en kijkt wie er voor je zit en dan vragen stelt. Vanuit een gesprek. Of vanuit een niet-gesprek.

Fabian sprak niet. Hij zei niks. ‘Zwaar autistisch,’ zeiden ze, ‘daar krijg je niks uit Stefan’. Hij zat in een school voor bijzonder onderwijs. Een grote jongen. Hij stond erbij als een palmboom en zei niks.

Op een middag ging ik naast hem staan bij de Cola-automaat en vroeg hem: ‘Waarom zeg jij eigenlijk niks?’
Het heeft een kwartier geduurd en toen zei hij heel stilletjes: ‘Mijn papa is dood.’

Onze maatschappij zegt: ‘Heb je verdriet omdat je vader dood is? Eventjes, hè! Ga nu maar weer door. Je broer en zus doen het goed, waarom jij niet?

Kan je begrijpen dat iemand niet praat, omdat hij zoveel verdriet heeft omdat zijn vader dood is.
En hier … Onze maatschappij zegt: ‘Heb je verdriet omdat je vader dood is? Eventjes, hè! Ga nu maar weer door. Je broer en zus doen het goed, waarom jij niet?’

Bij die jongen was er letterlijk een muur in zijn hoofd gekomen. En die hebben ze in het bijzonder onderwijs gezet. Op het laagste niveau. Hij zat de hele dag naar een scherm te kijken en af en toe moest hij een haag knippen of een hemd strijken. Dan zou hij wel een kwalificatie krijgen. 

De dag nadien vroeg ik hem waar hij van droomde.
Zijn begeleiders zaten erbij en zeiden: ‘Stefan, dat is te moeilijk.’
‘Laat hem’, zei ik.
‘Maar hij praat niet, zeiden ze.
‘Laat hem’, zei ik.
En toen zei hij: ‘Ik droom van de sterren en de planeten.’
‘Hij praat! Hij kan praten!’, zeiden zijn begeleiders.
‘Ja, hij kan praten,’zei ik, ‘maar hij heeft heel veel verdriet. Zijn papa is dood.’ 
‘Ja, dat weten we’, zeiden zijn begeleiders.
Ik zei tegen hen: ‘Soms, als ik heel, heel veel verdriet heb, dan kan ik niet meer spreken. Dan moet dat eruit. Dan moet ik wat wandelen en blijten.’
En tegen Fabian zei ik: ‘Sterren en planeten daar ken ik niks van, maar zoek maar wat teksten over sterren en planeten.’

De volgende dag kwam hij, de jongen die in het bijzonder onderwijs zat, met een bundel teksten van Shakespeare over Jupiter, Mars, Venus. 

De volgende dag kwam hij, de jongen die in het bijzonder onderwijs zat, met een bundel teksten van Shakespeare over Jupiter, Mars, Venus. 

We hebben daar samen een tekst van gemaakt en dat is een monoloog geworden. Die heeft hij twee keer gespeeld in deSingel in Antwerpen. Twee keer uitverkocht. Twee keer 800 mensen. Twee keer een staande ovatie.

Laatst belde hij me op om te vertellen dat hij is afgestudeerd aan de Technische Universiteit in Eindhoven en bedankte me dat ik achter zijn muur had gekeken. Anders had hij nu misschien in een instelling gezeten.

En dat is maar één voorbeeld. 

Elke dag kom ik mensen tegen die in deze maatschappij zijn gekwalificeerd met dit of dat label of als ‘te moeilijk’ worden bestempeld. Maar bij wie we dus niet achter de muur kijken.

Zo kom ik elke dag mensen tegen waarvan ik zeg: ‘die zitten hier niet op hun plaats’. Elke dag kom ik mensen tegen die in deze maatschappij zijn gekwalificeerd met dit of dat label of als ‘te moeilijk’ worden bestempeld. Maar bij wie we dus niet achter de muur kijken. En mijn persoonlijk verhaal is de drive om dat wel te doen. 

Achteraf zeggen ze dan: ‘We hadden nooit gedacht dat hij dat zou kunnen.’

Tuurlijk wel! 

Ik kreeg bij  Cultuurkuur van een leerkracht als commentaar: de grote sterkte van het werk van Stefan is dat hij echt vanuit het kind vertrekt. Dat schrijft een leerkracht, dan denk ik: ja, maar jij zou ook vanuit het kind moeten vertrekken.

Schaf voor mijn part de scholen af en maak Ministeries van Dromen, waar gespecialiseerde ambtenaren zitten die jou begeleiden om je droom waar te maken.

Wat je dan altijd hoort, is dat ze daar geen tijd voor hebben. Dat kan ik dus niet geloven. Schaf dan voor mijn part de scholen af en maak Ministeries van Dromen. Waar iedereen, jong en oud, elke Belg minstens één keer per jaar naartoe komt en ze je vragen wat jouw droom is.

Dat kan van alles zijn. En dat daar dan gespecialiseerde ambtenaren zitten die jou begeleiden om die droom waar te maken. Je helpen ontwikkelen naar wat voor mens je zal zijn. Zo’n ministerie, daar geloof ik heel sterk in.

Voor de lockdown was ik bezig met Open School Antwerpen. Dat zijn allemaal anderstalige nieuwkomers. We zaten met een groep voor drie dagen hier in De Grote Post in Oostende.

Daar was een man bij, Dada. Hij was een professor economie in Ankara en sprak alleen Turks. Hij had drie maanden daarvoor zijn vrouw, zijn kinderen en kleinkinderen op een rivier in Turkije voor zijn ogen zien verdrinken

Die man is hier bij ons en ons systeem zegt: ‘deze man moet zo snel mogelijk Nederlands praten.’ Hij zat al een maand in die groep en het was de eerste keer dat zijn leerkrachten zijn verhaal hoorden. Kan jij je voorstellen dat als je dat hebt gezien je dan een andere taal wilt leren? Wat is jouw motivatie? 

Waar we als maatschappij zo iemand het gevoel geven dat hij ook beter was verzopen, laat ik hem voelen dat zijn verhaal waarde heeft.

Waar we als maatschappij zo iemand het gevoel geven dat hij ook beter was verzopen, laat ik hem voelen dat zijn verhaal waarde heeft. Door zijn verhaal te gaan uitbeelden. Ik vroeg hem of hij dat kon naspelen. Geen makkelijke vraag, maar dat is theater maken.

 Hij speelde dat hij met zijn kleinkinderen door de struiken liep en dat ze dan in dat bootje gingen. Roeien, roeien … en dan ineens sloeg die boot om. De kreet van die man ... Dat kan je niet eens aan een acteur vragen.

Hij speelde dat ook in de gezamenlijke groepsvoorstelling in deSingel. Het was het slotstuk van de voorstelling en hij eindigde met: 'Ik ben Dada, ik ben nu in België. Ik ben alleen.' Dat waren de Nederlandse woorden die hij tot dan toe kende. 

HETGEVOLG_echt waar_IMG_8390cMarit Stocker.jpg

Een tijdje terug had ik een jongen die in de kleedkamer naaktfoto's van zijn vrouwelijke medeleerlingen had getrokken en die op Facebook had gezet. Een heel brave jongen die bij de paters Jezuïeten zat. Die waren natuurlijk geshockeerd en die jongen mocht niet meer terugkomen naar de school. 

Zijn vader is een belangrijk zakenman, dus er moest wel iets op gevonden worden zodat hij toch kon afstuderen. Zo kwamen ze bij mij aankloppen of hij bij mij wat klusjes kon doen.
‘Ik zal hem bij de technische ploeg steken, dan kan hij de camion in- en uitladen’, zei ik.
Dat was goed voor de school.

Natuurlijk doe ik dat niet.
De eerste dag dat hij kwam, ben ik met hem gaan zitten. Ik vraag dan niet waarom hij foto’s heeft getrokken van meisjes en die op Facebook heeft gezet. 
Nee, ik vraag: ‘Vader, wat betekent dat voor jou?
Hij begon als de dieselmotor van een oud binnenschip langzaam en sputterend te vertellen en dan hoor je dat zijn vader eigenlijk nooit thuis is. Dat hij nog nooit is vastgenomen door zijn vader. 

Daar maken we dan een verhaal van. We dramatiseren dat, we maken er theater van. Op de laatste dag van het schooljaar hebben we dan zijn klas  en begeleiders uitgenodigd. Je voelde de vijandigheid in de gang: ze kwamen kijken naar de 'gevaarlijke duivel die hun tieten op FaceBook had gezet’.

Dan zeggen mensen achteraf altijd: ‘Dat wist ik niet.’ Dat is de onwetendheid van deze wereld. Er wordt niet achter de muur gekeken.

De voorstelling begint en die jongen vertelt en danst wat we gemaakt hebben.
En dan zeggen mensen achteraf altijd: ‘Dat wist ik niet.’ 
Dat is de onwetendheid van deze wereld. Er wordt niet achter de muur gekeken.

Dat is wat het Ministerie van Dromen moet doen: achter de muur kijken. Laat die verhalen van Fabian, Dada en al die andere mensen die ik tegenkom een kracht zijn! Dat is niet onmogelijk. Het is niet moeilijk. Het is wel arbeidsintensief. We kunnen al eens beginnen met 10.000 mensen ... Laten we het eens proberen.

Dat vind ik zo fantastisch aan bijvoorbeeld Nieuw-Zeeland. Dat die minister-president zegt: ‘een 4-daagse werkweek en die andere dagen moet je bezig zijn met je passie of waar je van houdt.’ Dat gaat de levenskwaliteit inderdaad naar boven duwen.

Ik werk ook heel veel uren per week, maar dat is mijn passie. Ik zie bij heel veel mensen dat hun werk hun passie niet is. Ik heb een man gehad, hij was totaal depressief. De VDAB wilde hem als laatste strohalm een traject laten doen bij Het Gevolg

Een technisch ingenieur en wij waren net een zaal aan het bouwen, dus gaf ik hem de plannen met de vraag waar we best de leidingen konden trekken.
Na twee dagen was er niks.
Hij had wel een heel mooie tekening van een vogeltje gemaakt. Ik zei: ‘Dat technisch tekenen interesseert je niet hè. Zou je die vogel eens op de muur willen zetten?’
Hij is daar de hele week mee bezig geweest en dan nog eens afwerken met verf. Weg was de depressie.

De overheid moet durven zeggen: ‘We gaan op de levenskwaliteit van onze mensen inzetten.’

Zijn vogel staat in Het Gevolg op de muur. En hij komt er elke maand eens naar kijken. Door het tekenen van die vogel heeft hij ingezien: het gaat hier over mij. Als ik mij beter voel, voelt mijn omgeving zich ook beter. Hij werkt niet meer als technisch ingenieur en heeft beslissingen genomen.

Dat is achter die muur kijken. Dat gebeurt er als je mensen het geloof kan geven: vertrek vanuit wie je bent. De overheid moet durven zeggen: ‘We gaan op de levenskwaliteit van onze mensen inzetten.’ Laat mensen in zichzelf geloven. Laat ze voelen dat ze waardering krijgen. Dan denk ik dat het een veel betere wereld zou zijn.”